28-11-07
Thiewinkel
Alia iacta est
Een zalige zaligheid. Zo lijkt deze dérivée te worden. Anders dan al die andere keren. Deze keer geen lugubere trainingskampen of verlaten folterhuizen. Enkel loodrechte rijen bomen. Een gewone herfstwandeling dus. Niet meer of niet meer. Of toch niet? Loodrechte rijen bomen? Wie zit daar achter? WAAROM?
Is het mijn brein die het banale, normale, vrolijke altijd ombuigt tot iets totaal anders? Ik weet het niet, maar plots schiet de gedachte doorheen mijn hoofd dat het niet natuurlijk is dat deze bomen zo in het gelid staan alsof ze paraat staan vanuit hun precies uitgelijnde standplaatsen te groeten of te schieten op de sporadische wandelaar die onder de prikkeldraad gekropen is.
Mijn gedachten wegen zwaar. Mijn blik verlaagt zich van stam tot bladertapijt. Even vergeet ik ONS en is het enkel een schimmig gedachtespel tussen mij en de 10 000 gevallen soldaten onder mijn voetsporen. Ze knisperen, tintelen, verkrullen, verkleuren bij elke stap. Als in elke oorlog worden de verliezers vertrappeld door gelukkigen en minder gelukkige overwinnaars.
Een echte veldvrouw kent geen medelijden… We marcheren dus verder in stilte. Een stilte vermengd met gekreun van gevallen vijanden.
Plots helikoptergeweld. Het geluid sterft weg. Ik ook. De auto in het zicht. Het kerkhof recht tegenover. In de Opworpstraat is de zoveelste teerling geworpen. Een blad op mijn jas. Verpulverd in drie seconden. Meedogenloze zakelijkheid. Ik lach. Mijn troepen ritselen mee in de bomen. Klaar voor de volgende strijd. De Thiewinkelse Lente in miniatuur
MYKKI
The woods have eyes.
Streng-blauwe luchten en snoeverige boomformaties in verstijfd gelid, begeleiden beleefd een vriendelijk verhard pad tussen de koe-loze weiden. Grote groenhoofdige dennen staan er wat verloren bij, want zij zijn hier niet helemaal thuis. Het zijn hoogstammige inwijkelingen, ongenode, maar hardnekkige gasten die hun verstramde lijven quasi verlegen bekronen met kuis kruiende altijd groene kruinen.
De hondeman beweert dat we hier op de hoek zijn. Z'n tandeloze lach vertrekt als we hem niet meteen begrijpen. Op de hoek is: het einde. Het einde van de beschaving, want die ligt in dit deel van de provincie overal op de loer. Voor je het weet is het zover en dwaal je door god en iedereen verlaten door bijtende beemden en zuigende zompweides, tot je knieën wegzakken en dan nog dieper. Loze angstschreeuwen en kilometers in het rond niemand die je hoort, niemand die luistert.
De rood-witte slagboom leidt naar een wit boerderijtje. Hondengehuil in veelvoud klinkt op. Een zwart boerenpaard dendert op topsnelheid voorbij. Voedertijd! De grond davert, maar dat is ongetwijfeld klein bier in vergelijking met wat hier binnenkort komt. Weer een nieuwe afrit vreet het landschap aan. Nog even en ook hier rijden er auto's door de bomen. Aanslag met koplampen en uitlaatgassen.
Het zijpad is afgesloten. Want prikkeldraad stopt alles. Maar niet ons. Want wij moeten verkennen, gaan waar weinigen gingen, onversaagd en ongevraagd. Het zijpad leidt ons naar een vochtig waterland. In het midden van het grote watervlak staat daar een onaanraakbare structuur. Een krachtige kubus met quasi-perfecte afmetingen. Thuishaven van een watergeest of gestrande buitenaardse reddingsloep?
Het tweede lijkt van toepassing want het verboden pad mondt via een slome bocht uit in een zwaargewond bos. Iets massiefs lijkt hier met grote snelheid doorheen gebeukt: bomen liggen lijdzaam, in dezelfde richting, tegen de vlakte geslagen en willekeurige, maar toch bijna even grote stukken van takken met vreemde rafelrandpatronen, kruipen ijlend over het pad.
Trillende bladeren in allerlei kleuren knerpen kermend onder onze voetzolen. Want van ons, reuzen van een vernietigend ras, verwachten zij enkel het ergste.
Uiteindelijk zal ook hier het witte seizoen komen. Zij bedekt en maakt één. Een troostende broze sprookjeswereld van langvergeten, losgebroken in de bossen van Thiewinkel.
BE
18:37 Gepost door in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |
Facebook |
Post een commentaar