15-12-07
Kanne
Holes in time
De wind kust ons nat zwiepend de trap op. Zompige gure groene glooiingen neveldansen in de dalen. Daar ligt ook een poort. Miniscule stippen staren naar de imposante opening. Gapende muil naar een andere wereld? Als er zich dan toch geen onaardse brullende drakenkop door de opening wringt, stappen de stippen naar voren. Alsnog slokt het duister hen op.
Steeds hoger en het gegrom over de heuvel wordt steeds duidelijker. Nog niets te zien. Nog niet, maar flitsende gele glimpen in de verte voeden honger naar meer. Uiteindelijk toont zich het gapende grondgat: veellagige, geelbezande uitgestrekte aardkier. Porrende stalen spinnenpoten haken in haar afgekloofde flanken.
Centraal staat een industriëel monster, dat zich al eeuwenlang dag en nacht grommend voedt. Medogenloos zand schrokkend, graaft het zichzelf een open graf.
Maar ooit. Dan is deze wonde helemaal uitgevreten en zullen de machines zwijgen. Dan zal deze valse vallei zichzelf opnieuw begroenen. Levende wondkorst tegen de menselijke infectie. Alles begint opnieuw. Een mini-Eden in Kanne. Hyperlokaal micro-paradijs. Wachten loont.
Wij dalen, maar de weiden zijn verassend leeg. Koe-loze zondag? Nog even en daar doemt de reuzepoort ook voor ons op. Achter de opening liggen nek-strekkend hoge gangen met grot-allures. Steeds dieper, volgen we in de wand geplaatst vuurtjes, en dringen door tot aan haar doodlopende eindpunten. Ook dit is mensenwerk, werk van jaren, graven zonder vrees.
De Plafonds in de uithoeken zijn zwart van de rook. Komen hier ’s nachts de lokale Neanderthalers hun bloederige buit verorberen? Smakkend, snuivend rond het flakkerende kampvuur? Het geluid van spetterend vet vermengt zich met de uiteenspattende vuurwerkpijlen boven de Sint-pietersberg. Grommend kruipen zij dan dicht bij elkaar. En sluiten hun niet begrijpende moëe ogen.
BE
Kanneueh?
Ja!
MYKKI
20:29
Gepost door
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
28-11-07
Thiewinkel
Alia iacta est
Een zalige zaligheid. Zo lijkt deze dérivée te worden. Anders dan al die andere keren. Deze keer geen lugubere trainingskampen of verlaten folterhuizen. Enkel loodrechte rijen bomen. Een gewone herfstwandeling dus. Niet meer of niet meer. Of toch niet? Loodrechte rijen bomen? Wie zit daar achter? WAAROM?
Is het mijn brein die het banale, normale, vrolijke altijd ombuigt tot iets totaal anders? Ik weet het niet, maar plots schiet de gedachte doorheen mijn hoofd dat het niet natuurlijk is dat deze bomen zo in het gelid staan alsof ze paraat staan vanuit hun precies uitgelijnde standplaatsen te groeten of te schieten op de sporadische wandelaar die onder de prikkeldraad gekropen is.
Mijn gedachten wegen zwaar. Mijn blik verlaagt zich van stam tot bladertapijt. Even vergeet ik ONS en is het enkel een schimmig gedachtespel tussen mij en de 10 000 gevallen soldaten onder mijn voetsporen. Ze knisperen, tintelen, verkrullen, verkleuren bij elke stap. Als in elke oorlog worden de verliezers vertrappeld door gelukkigen en minder gelukkige overwinnaars.
Een echte veldvrouw kent geen medelijden… We marcheren dus verder in stilte. Een stilte vermengd met gekreun van gevallen vijanden.
Plots helikoptergeweld. Het geluid sterft weg. Ik ook. De auto in het zicht. Het kerkhof recht tegenover. In de Opworpstraat is de zoveelste teerling geworpen. Een blad op mijn jas. Verpulverd in drie seconden. Meedogenloze zakelijkheid. Ik lach. Mijn troepen ritselen mee in de bomen. Klaar voor de volgende strijd. De Thiewinkelse Lente in miniatuur
MYKKI
The woods have eyes.
Streng-blauwe luchten en snoeverige boomformaties in verstijfd gelid, begeleiden beleefd een vriendelijk verhard pad tussen de koe-loze weiden. Grote groenhoofdige dennen staan er wat verloren bij, want zij zijn hier niet helemaal thuis. Het zijn hoogstammige inwijkelingen, ongenode, maar hardnekkige gasten die hun verstramde lijven quasi verlegen bekronen met kuis kruiende altijd groene kruinen.
De hondeman beweert dat we hier op de hoek zijn. Z'n tandeloze lach vertrekt als we hem niet meteen begrijpen. Op de hoek is: het einde. Het einde van de beschaving, want die ligt in dit deel van de provincie overal op de loer. Voor je het weet is het zover en dwaal je door god en iedereen verlaten door bijtende beemden en zuigende zompweides, tot je knieën wegzakken en dan nog dieper. Loze angstschreeuwen en kilometers in het rond niemand die je hoort, niemand die luistert.
De rood-witte slagboom leidt naar een wit boerderijtje. Hondengehuil in veelvoud klinkt op. Een zwart boerenpaard dendert op topsnelheid voorbij. Voedertijd! De grond davert, maar dat is ongetwijfeld klein bier in vergelijking met wat hier binnenkort komt. Weer een nieuwe afrit vreet het landschap aan. Nog even en ook hier rijden er auto's door de bomen. Aanslag met koplampen en uitlaatgassen.
Het zijpad is afgesloten. Want prikkeldraad stopt alles. Maar niet ons. Want wij moeten verkennen, gaan waar weinigen gingen, onversaagd en ongevraagd. Het zijpad leidt ons naar een vochtig waterland. In het midden van het grote watervlak staat daar een onaanraakbare structuur. Een krachtige kubus met quasi-perfecte afmetingen. Thuishaven van een watergeest of gestrande buitenaardse reddingsloep?
Het tweede lijkt van toepassing want het verboden pad mondt via een slome bocht uit in een zwaargewond bos. Iets massiefs lijkt hier met grote snelheid doorheen gebeukt: bomen liggen lijdzaam, in dezelfde richting, tegen de vlakte geslagen en willekeurige, maar toch bijna even grote stukken van takken met vreemde rafelrandpatronen, kruipen ijlend over het pad.
Trillende bladeren in allerlei kleuren knerpen kermend onder onze voetzolen. Want van ons, reuzen van een vernietigend ras, verwachten zij enkel het ergste.
Uiteindelijk zal ook hier het witte seizoen komen. Zij bedekt en maakt één. Een troostende broze sprookjeswereld van langvergeten, losgebroken in de bossen van Thiewinkel.
BE
18:37
Gepost door
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
05-11-07
Lummen
‘Civilitas tiranidad’
Na een aanklacht tegen de grote Beschaving veranderen we onwillekeurig zelf weer in de ‘Civilitas Tiranidad’. Rijdend over klaverblad en bomen. Lekker snel. Dérivéevriendelijk.
MYKKI
ROADKILL
Niet zo heel ver weg reist de snelweg. Verwoestend verkeer verknoopt met een nog vagelijk groene omgeving. Steeds meer hijgt de herfst helgeel doorheen het bladerdak.
Deze plek is leeg, of dat lijkt toch zo. Leeg en vreemd, unheimlich. Want dat geluid blijft je bij. Het gezoem van een onaardse bijenkolonie. Dansend in de voorjaarszon. Lentefris en zoemend van verwachting. Maar de lente is nu nog herfst. Saizon d'enfer. Helgele heilzame versterving, gevat in veelkleurenprachtig geruis. Idyllisch, zou je zeggen. Dat zeker, was er niet steeds dat sluipend snelweggeraas.
Je kan je de vraag stellen wat hier eerst was: bos of snelweg? Want, ingebed in de groene bossages vinden we weekendhuisje na weekendhuisje. De meeste zijn leeg en staan op instorten: macabere getuigen van vervlogen illegaal familiegeluk. De droom van de goedgeboerde burgerman, melancholisch op zoek naar zijn groene roots.
Eén specifiek exemplaar trekt speciaal onze aandacht. Zwartgeblakerd steken zijn geknakte ribben uit een scheefgezakt zadeldak. Binnenin staat nog een gestorven tv-toestel. Zijn nieuwe kijkers onderscheiden in de achtertuin een drietal houten tipi's: vermolmde indianententen ten prooi aan knagend weer en gretige houtworm. Binnen niet al te korte tijd zullen ook zij zuchtend ineenstuiken en zo de algehele droefenis van de plek eer aan doen.
Je vraagt je af wat zich hier kan hebben afgespeeld. Een new-age-achtige sekte die geloofde in afzondering en helende tipi's, hier ten onder gegaan? Gekgeworden door het constante ziekmakende gezeur van de snelweg? Collectieve zelfverbranding in de bossen van het klaverblad? Of toch een verwoestende tv-implosie?
In het midden van deze lusvormige illegale verkaveling troont trots een enorme electriciteitsmast, symbool van de vooruitgang die hier voorbijkwam, zag en ten onder ging.
Steeds dichter komen we bij de snelweg. Zijn zeurende lied lokt ons naderbij. Auto's razen door de bomen. Ook wij ontkomen niet.
BE
14:19
Gepost door
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
11-06-07
Vliermaalroot
Feed the trees
Hels staart het land. Maar: onversaagd gaat het, richting zwartkartelende bosrand en langs de als duivenkast vermomde offermachine. Daaronder getuigt een inderhaast dichtgeslagen gestaald luik van wat zich hiervoren ongetwijfeld taloze keren afspeelde. Het druipende vocht lekt nog steeds met willekeurige regelmaat richting gretige grasgrond. Twee vereenzaamde bomen loeren -tot in der eeuwen geschokt- in onze richting. Zij zijn de ware getuigen van de godslasterlijke gruwelen die zich in hun blikveld moeten hebben afgespeeld. Grauwig-grijze, zichtbare rouwranden tekenen zich af in de schaduw van hun stilaan onttakelend omspansel.
Het bos is scherp en begrensd door uiteenrijtend prikkeldraad. Het bos heeft zelfs een naam. Hoe dikwijls hebben zich hier in dit 'jongensbos' waanzinnige doodskreten doorheen de klauwende takken gescheurd? Hun plots afgesneden levensdraden lijken zich te hebben verzameld in de uiteinden van de vele takkenvingers: wit wrinkelend zijn ze, en gematerialiseerd in een wollig webachtig waas van een ongenadige dradende weefsel-substantie. Of groeien hier konijnen in de bomen? Ontspringen zij plots aan de rijpe knoppen van dit duister toverbos? Wippen zij van tak tot tak waarbij zij van tijd tot tijd verstrikt raken in de grijpgrage wortelvingers van deze konijnenvretende spookbomen ?
Pal in het midden van dit zwijgende woud doemt een havenloos herenhuis op. Het is oud, nog steeds bewoond, klassiek verzuild en lijkt gedoemd om voor altijd te blijven bestaan. Is dit de woning van de plaatselijke graaf Vlad die zijn jonge slachtoffers met de nekken spietste op de scherpe verroeste weerhaken van de boven ons uit torenende stalen schommel ? De verre witte vogels op de glad-glimmende waterspiegel voor het huis gebaren nogthans van krommenaas, vredig verder glijdend op hun schijnbaar rimpelloze vloeivlak. We ontsnappen dwars doorheen de argwanend zwart-begroende stammenzee, als plots een boven het gebladerte uitspiralende kreet al onze jagende botten verkilt. De vreeswekkende dreigende dood, waart minstens vier maal daags, ook in Vliermaalroot.
BE
What's in a name?
De Helstraat tart elke verbeelding, net doordat elke verbeelding ontbreekt. Dit is een dorp waarin de landschappelijke schizofrenie hoogtij viert. Een holle bolle weg verdeelt het dorp in weides en bossen enerzijds en huizen van het banale ras anderzijds. Ze lijken te weten dat ze slechts in de ogen van hun bewoners verheven zijn tot bewoonde kunstobjecten. Nabootsingen. Echo’s van identieke broeders en zusters opgetrokken uit baksteen en mortel.
Opgelucht slaan we het landweggetje in, richting kasteel Jongenbos. Rechts van ons doet het getimmer van de duivenmelker in zijn gigantische duiventil ons even halt houden. Gedachten verspringen naar malafide kindermelkers… U snapt niet de link tussen dit idyllische tafereeltje van de oervlaamse duivenmelker en de kinderverkrachter in zijn houten zwemparadijs? Sommige mensenbreinen denken nu eenmaal anders.
We slenteren verder, genieten van de zon die knipoogt doorheen de bomen, de bladeren die ruiselend, bruiselend, kruiselend flirten met de wind. We kussen de romantiek dieper het bos in. Ontwakend uit de roes van verliefde likjes en lachjes en kusjes beseffen we plots de bizarheid van de omgeving...Vanuit het struikgewas beloert de houten robot (of het bijenhoofdkwartier in uw ogen) ons met vierkante argusogen. We stappen goed door voorbij minaretten in miniatuur op houten palen. Vliermaal Rood, als multicultureel trefpunt…
Het kasteel Jongenbos nadert. We voelen de nabijheid van lang vervlogen tijden. Van lachende kinderen tot gillende jongetjes. De lege schommel staart ons eenzaam aan terwijl de overgebleven vleeshaken onze fantasie op hol brengen. Welke lichamen schommelden hier lang geleden in de wind? De plek heeft iets duister. Alsof de gebeurtenissen van lang geleden schreeuwen om aandacht terwijl de geraniums heen en weer wiegen op het ritme van een macabere dodendans. De enige getuigen kwaken de gruwel de hemel in. Witte veren schrijven geschiedenis simpelweg door er te zijn.
Het kasteel lijkt nu wel bewoond te zijn en toch schreeuwen gesloten keldergaten en lege schommels om een lugubere aandacht. Elk ogenblik lijkt het alsof op het wateroppervlak elk moment een bloedvlek kan verschijnen van vergruisde kinderdromen… Vliermaal ROOD. What ’s in a name?
MYKKI
17:23
Gepost door
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|
10-05-07
widooie
Een betonnen pad leidt ons naar het punt. Het is versmallend, begrensd met hoge bomen en nogal nauw. De fietsers peddelen ons stug maar met een vreemde smile tegemoet. Doorheen het schaduwland op weg naar het lichtpunt in de verte. Plots is alles open. Woelig wuiven de velden. We stappen uit. Allerlei einders tegemoet. Bloedende bloemen openen al van ver hun tedere hart. het uitzicht op de in de zon schiftende akkers is verrassend. Vers groen glijdt over de einders. Een betonnen fietspad bijt zich ongenaakbaar door de glooiende hellingen van gras en tarwe.
In de verte loert een schuw hoopje struikgewas in onze richting. Een koppig residu van het vroegere boccagelandschap. Ook de statige Dom staart. Wij kijken vrank terug. De tijd lijkt hier eeuwig en in stilte te vervloeien. het glijdend bewustzijn van dit land lijkt nergens te eindigen. De vergroende richel is begroeid met rode bloemen. Vuurrood en blozend in het benauwde, terugdeinzende bermgras. Pluk ze en ze verleppen, sterven flets. Onbeschaamd dringen we het bosje -want dat is het struikgewas van dichterbij- binnen. Een nauwelijks begaanbaar pad, de doornen lijken ons te willen waarschuwen voor iets onnoemelijks dat staat te gebeuren. Of hier gebeurd is.
Het ding staat er plots: drie ongenaakbare voelsprieten drukken fel tegen de grond. Het staart ons doodstil aan, als gereed voor een dodende sprong. Het lijkt wel een ruimtetuig: supersonisch maar ook eenzaam. Achtergelaten door zijn onaardse bezoekers. 50 meter verder nog één en dan nog één. Een invasie? We besluiten te gaan. Want het voelt hier vreemd. Alsof er iets of iemand elk moment kan tevoorschijn schieten. De zon ruist in de boomtoppen, net buiten het bereik van een tastende blik. We verlaten dit vreemde mini-bos langs zijn kwetsbaarste flank. De scherpe rif van het land glooiert uit in een zicht op Widooie-dorp.
Dan: dodende blikken van in de verte beestende boerenzonen: uit de kluiten gewassen én behoorlijk boos. Want wij blokkeren hun toevoer. Hun tractor: onbedoeld door ons klemgezet. Galmende vloeken in onze richting kaatsen op het rode staal van onze ongemakkelijk wegvliedende vierwieler.
Wij zuchten.
BE
Wi-dooie op-ge-wonden
Wi-dooie. De wegbedding van hoge bermen en wuivende bomen omarmt ons. Geborgenheid. Maar wat of wie geeft dit gevoel? Fortuna? ‘Wij, de dooien’ of in streektaal ‘Wi-dooie’?
We droppen onze auto in het midden van het wegje, annex fietspad, alsof in deze omgeving verkeersregels er niet meer toe doen. De stadswachters zijn ver. Het vuurrode, vuile, stalen harnas van onze wagen geeft de indruk een misplaatste pion te zijn in een zacht groen, bruin en geel glooiend landschap. Bevroren tijd.
Perplex door zoveel onverwachte schoonheid gluren we ons buiten. Het mysterie glijdt naar binnen. Elke heuvel eindigt in een apocalyptische eindhorizon. Fataal. Liefelijk. Beangstigend. Geruststellend. De wind lijkt de doden een stem te geven. Ritselend, knisperend bewegen de geesten uit een misschien nog niet zo heel ver verleden zich doorheen het granenveld. Elke graanhalm buigt mee zodat een zee van welkomstgeruis onze oren en blikken vult. We buigen mee. Temidden van alle velden vinden we een klein bos met struiken en bomen…
We voelen ons als in een queeste. Waarschijnlijk ligt de heilige graal daar open en bloot in het centrum van het struikgewas… Fietsers trappen ons terug naar de werkelijkheid… We klimmen ons een weg doorheen het struikgewas en net als we onszelf overtuigd hebben van het inspirerende banale van deze plek, duikt een langwerpig voorwerp op met lange tentakels en kleine sensoren aan de buitenkant. Misschien zijn we toch niet de eerste levende zielen in het struikgewas? Het lijken getuigen van een nog niet geleefd verleden… Met rode bloedbloemen als kroongetuigen van wat was of wat zal… De bizarre voorwerpen zijn in de meerderheid. We maken ons uit de voeten. Richting granenveld en kerktoren. Elk ogenblik kunnen ze beginnen spinnen en ons vastgrijpen. We stappen goed door. Lachend met zoveel fantasie kussen we de verbeelding de hemel in.
Plots lijkt in de verre verte het gemoedelijke tafereel van werkende boeren tot leven te komen. We horen roepen en tieren en kijken bezorgd naar het struikgewas… zouden de voorwerpen aan een vernietigende kruistocht begonnen zijn? Achter ons is alles rustig … We slenteren verder in het tempo van een oma van tachtig jaar met stok… Eénmaal aangekomen aan onze rode ros, besluiten we ook even een blik te werpen op de boomgaarden. Het gegil houdt aan. Sfeer gebroken. Dan maar terugkeren. Een enorme tractor gehinderd door een kleine rode ridder met vuil harnas, moedig standhoudend. Het lijkt wel David tegen Goliath. We kijken. We zien. Tractor. Boeren. Harken. We springen in de auto. Gierende banden…
Geen ge-wonden… Enkel op-ge-wonden
23:56
Gepost door
in Algemeen |
Permalink
| Commentaren (0)
| Email dit
|
Facebook
|